Kijk, daar lopen blij
Drie marionetten zij aan zij,
Onbekommerd, zorgeloos en vrij,
Hun lot wordt bepaald door mij.
Ze doen en laten wat ik beschik,
Wat een geluk voor hen dat ik
In al mijn goedertieren
De teugels niet laat vieren.
Een ligt in het gras,
Om hem heen een rode plas.
Z’n lijn die brak en hij was in z’n sas,
Dat mijn macht gebroken was.
Hij rende weg, maar o wat fijn,
Hij ontmoette toen een trein.
Die nam hem een eindje mee.
Drie min een is twee.