Neem een kijkje in m’n koffer,
Ik open hem niet vaak.
Onafscheid’lijk, onmisbaar,
Verzegeld tegen braak.
Het bevat mijn vele maskers,
Die ik dagelijks benut.
Eén voor elke situatie,
Een schild voor verbaal geschut.
Sluit nu even beide ogen,
Zonder masker ben ik naakt.
Als ik wissel van façade
Ben ik bang dat je me raakt.
Je mag nu wel weer kijken,
Liefste schrik nu niet.
Want je zult me wel niet mogen
Zoals je me nu ziet.
Kijk ik draag nu mijn bescherming
Tegen monsters in het veld.
Het kaatst het boze oog terug,
Heeft menigeen geveld.
En bij hen die’k niet kan peilen
Zet ik dees’ bij voorkeur op.
Het draait mee met alle winden:
Mijn kameleonnenkop.
Alle dwergen zien me nietig,
Alle reuzen zien me groot.
En temidden van de gekken
Ben ik de malloot.
Mijn favoriet die ken je,
Hij is bijna transparant.
Slechts door dubbel glas gescheiden,
Reik ik jou mijn hand.