De heilige graal

Een zonderling in lompen loopt met een hengel rond.
Elke week zes dagen, van middernacht tot morgenstond.
Verbeten en geduldig jaagt hij de ganse nacht,
Minzaam gadegeslagen door de dienstdoende parkwacht.

Zoals een Don Quichotte, met eendere verbetenheid,
Voert hij onverdroten een schier onmogelijke strijd.
Aan’t haakje van zijn wapen bungelt bij wijze van aas,
Verkleurd en verschoten, een portret van de arme dwaas.

Hij zoekt, maar zal nooit vinden.
Hij zoekt, maar is niets kwijt.
Hij zoekt wanhopig naar
Z’n eigen identiteit.

Dan kruist plots een echtpaar onverwacht zijn pad.
Hun hart vult zich met afkeer voor dit wezen, vuil en nat.
Doch afkeer maakt plaats voor meelij wanneer des jagers instrument,
Aangetast door wind en weer, zich tot het plaveisel wendt.

Ziet hem daar nu liggen, een gebroken hoopje man.
Geen mens is zo onverschillig dat hij hem negeren kan.
De vrouw buigt zich voorover en reikt de man haar hand.
‘Ach, door welk lot zo grillig ben je in deze goot beland?’

Hij zoekt, maar zal nooit vinden.
Hij zoekt, maar is niets kwijt.
Hij zoekt wanhopig naar
Z’n eigen identiteit.

De engel begeleidt hem naar’t aardse paradijs.
De plaats’lijke hulpverlening, met psychiaters, oud en wijs.
Zij helpen bij de queeste, maar falen keer op keer.
Naar mijn bescheiden mening vertrekt hij nimmer weer.

Hij zoekt, maar zal nooit vinden.
Hij zoekt, maar is niets kwijt.
Hij zoekt wanhopig naar
Z’n eigen identiteit.

Eelco Herder